BUITENBEENTJES

 

Diagnose

5 november, 2007 door Dees

Pas na een uitgebreid psycho-diagnostisch en kinderpsychiatrisch

onderzoek kan vastgesteld worden of er daadwerkelijk sprake is
van een autisme spectrum stoornis.

 

Vooral bij jonge kinderen is de onderkenning van autisme erg lastig
omdat de bandbreedte van wat 'normaal' is dan nog groter is.
Leerkrachten kunnen signaleren dat gedrag van een kind afwijkt van
dat van de andere kinderen in de groep. Om verder duidelijk te krijgen
wat er precies aan de hand is, is het belangrijk dat de leerkracht in
overleg met de ouders, contact zoekt met andere deskundigen.

Men gaat ervan uit dat pervasieve ontwikkelingsstoornissen
een genetische en neurobiologische oorzaak hebben.
Vaak komen bij mensen met autisme tegelijkertijd ook andere
aandoeningen voor, zoals een verstandelijke handicap,
medisch-neurologische aandoeningen (bijvoorbeeld epilepsie, tics),
depressies, angsten en obsessies, ADHD, stoornissen in de aandacht
en in de motorische coördinatie (onhandige, houterige motoriek,
moeite met schrijven). We noemen dit co-morbiditeit.
Dit maakt een precieze diagnose extra moeilijk.

 

Uitsluiten van andere stoornissen
 

Nog lastiger voor een goede diagnose is het feit dat de verschijningsvormen
van andere stoornissen lijken op de kenmerken van autisme.
Omdat de behandelingsvorm van de stoornissen verschilt, is het
noodzakelijk precies te achterhalen van welke stoornis sprake is.
We noemen dit differentiaaldiagnostiek.
Voor de diagnose autisme dienen de volgende categorieën
uitgesloten te worden:

-perceptuele stoornissen: slechtziend, doof, slechthorend
 (kan ook samen voorkomen met autisme)

-verstandelijke handicap (kan ook samen voorkomen met autisme)

-spraaktaal ontwikkelingsstoornissen

-selectief mutisme (kinderen die in bepaalde situaties niet willen praten)

-ernstige (vroegkinderlijke) affectieve en pedagogische verwaarlozing

-kinderschizofrenie.

De diagnostiek bij jonge kinderen is daarbij extra lastig.
Het onderscheid tussen bijvoorbeeld autisme, een verstandelijke
handicap, een taalontwikkelingsstoornis of een reactie op een
traumatische gebeurtenis, is lastig te maken. Voorzichtigheid
met een definitieve diagnose is op dat moment gewenst.
In dat geval kan de diagnose beter uitgesteld worden en kan de
specifieke begeleiding worden gezien als een fase van verlengde
diagnostiek.

Drie typen diagnoses
In de diagnostiek van kinderen met autisme worden drie typen
diagnoses onderscheiden:

Om bij kinderen en adolescenten met autisme een goede diagnose
te kunnen stellen, gebruiken artsen het internationale classificatiesysteem
voor psychiatrische diagnostiek (DSM-IV).
Natasja van Lang stelt in haar onderzoek vast dat de symptoomdomeinen
voor autisme uit dat systeem niet overeenkomen met de praktijk.


Daarnaast ontdekte zij dat de manier van informatieverwerking door
kinderen met autisme maar voor een deel verklaard wordt door een
recente theorie, de zwakke centrale coherentie theorie, die veronderstelt
dat mensen met autisme informatie gefragmenteerd verwerken.

Om de symptoomdomeinen van autisme in kaart te brengen verzamelde
de promovendus uitgebreide gegevens van 308 kinderen en adolescenten
 met autistisch gedrag, variërend van van ernstig autistisch tot milde
symptomen van autisme.

Van Lang vond drie symptoomdomeinen: 'stoornis in de sociale
communicatie', 'stereotype taalgebruik en gedrag', en 'stoornis in
spelvaardigheden'. Deze zijn niet vergelijkbaar met de
symptoomdomeinen uit het classificatiesysteem DSM-IV.

Volgens de theorie van 'zwakke centrale coherentie' verwerken
mensen met autisme informatie gefragmenteerd, waardoor zij moeite
hebben om informatie snel in een kader te plaatsen en te begrijpen.
De promovendus testte deze theorie bij 43 kinderen en adolescenten
met een autisme spectrum stoornis en bij twee controlegroepen zonder
autisme.

Zij stelt vast dat er slechts gedeeltelijk bewijs is voor een meer
gefragmenteerde manier van informatieverwerking. Het blijkt
bovendien dat 'zwakke centrale coherentie' sterk samenhangt met leeftijd.
Van Lang stelt dat kinderen met ernstig autisme een zwakkere
centrale coherentie hebben dan kinderen met een lichte vorm van
autisme en dat gezonde kinderen al snel leren om de strategie van
 'zwakke centrale coherentie' te kiezen, als dit de meest efficiënte manier
is om taken succesvol te maken.

Deze ontdekking heeft mogelijk gevolgen voor het onderwijs aan
kinderen met autisme, waarbij er expliciet aandacht besteed zal moeten
worden aan het verduidelijken van informatie in zijn context.

 

Zie Signalering