Communicatie
8 november, 2007 door Dees
Communiceren doet iedereen. Het is namelijk
informatie uitwisselen. Het is het duidelijk maken van je wensen,
mening, behoeftes. Je hebt een boodschap, die je overbrengt naar een
ander. De ander begrijpt dit en geeft wellicht een boodschap terug.
Het is voor mensen een belangrijke behoefte in het leven.
Het is ook mogelijk dat de communicatie fout
gaat, je begrijpt elkaar niet. Wie niet goed zijn boodschappen kan
overbrengen, raakt gefrustreerd, somber en eenzaam.
Communicatie zie je al vanaf de geboorte. Er
wordt dan gelijk totaal gecommuniceerd. Mensen kijken naar een baby,
wijzen, houden het vast. En het kind herkent daar al snel iets in
waardoor het zich goed voelt.
Totaal communiceren wil zeggen dat je op
verschillende manieren je boodschap overbrengt. Deze vormen worden
tegelijk of naast elkaar gebruikt.
Voorbeelden van communicatievormen zijn:
Mimiek, lichamelijk contact, oogcontact,
melodie, intonatie, voorwerpen, foto’s, pictogrammen, tekeningen,
spraak en gebaren.
De beste manier om je boodschap over te
brengen is door totaal te communiceren. Dit houdt in dat alle
manieren zijn toegestaan zodat je boodschap goed overkomt. Hierdoor
is de kans op een geslaagde communicatie veel groter. Het niveau van
je communicatie moet altijd aangepast zijn aan diegene met de meeste
communicatieproblemen, aan diegene met het laagste
communicatieniveau. Want diegene kan zich niet aanpassen aan jouw
(hogere) niveau.
Niet alle mensen kunnen dus met alle vormen
overweg. Waar is dat van afhankelijk?
Dit is afhankelijk van spraak/taalproblemen,
intelligentie, motoriek, zintuiglijke waarneming, psychische
aspecten (vermoeidheid, concentratie) en communicatieniveau.
Wat zijn de communicatieniveau’s?
Er zijn 4 niveau’s, namelijk sensatie,
presentatie, representatie en metarepresentatie.
Sensatieniveau
Een pasgeboren baby communiceert onmiddellijk
op sensatieniveau. Sommige mensen blijven altijd op dit niveau
communiceren. Hierbij zijn de sensaties het belangrijkste, dit wil
zeggen alle prikkels van de zintuigen. Dus geuren, geluiden, voelen,
proeven en zien van o.a. bewegingen, licht. Er wordt geen betekenis
aan gekoppeld. Het is de eerste letterlijke waarneming. Ook mensen
worden op die manier waargenomen. Ze hebben nog geen naam of
functie. Mensen zijn als effectmateriaal; “ik schreeuw en het
reageert”.
Mensen die op dit niveau communiceren, kun je
niet voorbereiden op de toekomst of veranderingen. Je kunt ze wel
herkenning geven, waardoor ze zich meer op hun gemak voelen of
minder angstig zijn. Denk daarbij aan vaste voorwerpen, vaste
tijdstippen, vaste volgorde van activiteiten, geuren en routines.
Dus structuur en dagritme met herhalende sensaties. Bijvoorbeeld een
fles voor een kind op dit niveau is een speeltje. Het heeft geen
betekenis, het verwijst niet naar drinken. Maar dezelfde fles, op
dezelfde tijdstippen met de bekende geur van melk, gegeven door
moeder in de huiskamer, geeft een gevoel van vertrouwen en
herkenning.
Op dit niveau wordt aan de communicatie door de
gesprekspartner betekenis verleend. Het kind huilt, moeder denkt dat
het honger heeft.
Presentatieniveau
Wanneer iemand zich al wat verder ontwikkelt
binnen de communicatie, krijgt hij al meer grip op de omgeving. De
situatie geeft de persoon informatie over wat de bedoeling is. Hij
neemt nog wel letterlijk waar. Hij kan zich niet iets verbeelden wat
er niet is. Dus een beker is pas een ding waar je uit kunt drinken
als er ook echt drinken inzit.
Voorwerpen hebben nog geen verwijzende functie.
Ze worden wel herkend na veelvuldig aanbieden en passend binnen de
situatie.
Deze mensen op dit communicatieniveau kunnen
herkenning tijdens de dag ondersteund krijgen met symbolen. Deze
symbolen zijn aan te bieden in de vorm van inpuzzelen en matchen.
Inpuzzelen: twee voorwerpen die in
elkaar of op elkaar passen.
Op dit niveau moet men associaties (relaties)
voelen met het lichaam, waardoor herkenning optreedt.
Voorbeeld:
Het kind puzzelt een beker in een houder en de
drinkactiviteit begint.
Één stap moeilijker is matchen: twee dezelfde
voorwerpen/ pictogrammen/ foto’s/ tekeningen worden bij elkaar
gelegd. Op dit niveau is sorteren van gelijken al goed mogelijk. De
persoon gaat hierbij uit van de letterlijke waarneming, hoe iets
eruit ziet.
Voorbeeld:
Het kind legt een pictogram op dezelfde
pictogram en wordt verschoond
De tafel wordt gedekt. De cliënt weet door de
situatie dat er gegeten gaat worden.
Op dit niveau heeft de taal heeft nog geen
betekenis. Hierbij kan wel herkenning optreden nadat een woord
veelvuldig aan een voorwerp of activiteit wordt gekoppeld. Spreken
is vaak imitatie.
Tijdsbesef is moeilijk voor deze mensen.
Let op dat ze vaak informatie niet kunnen
negeren, omdat ze alle prikkels waarnemen. Dit komt omdat ze er geen
of met moeite betekenis aan kunnen verlenen. Alles lijkt even
belangrijk. Hierdoor wordt er bij veel prikkels weinig goed
verwerkt. Het is belangrijk dat dingen na elkaar worden aangeboden.
Dus bijvoorbeeld eerst het voorwerp, dan het gebaar, dan het woord
en dan samen ermee spelen.
Voorbeelden van spelletjes op dit niveau zijn
eenvoudige (insteek)puzzels, sorteerspelletjes, lottokaarten, 2
dezelfde zoeken.
Representatie
Op dit niveau wordt de verwijzende functie
begrepen. Dus een beker betekent “we gaan drinken”. De situatie er
om heen is veel minder van belang. Verwijzers kunnen worden gebruikt
om een andere situatie of activiteit te voorspellen. Mensen die op
dit niveau communiceren kunnen zich dingen verbeelden. Afhankelijk
van interesses en mogelijkheden kan er gebruik gemaakt worden van
voorwerpen, foto’s, pictogrammen, tekeningen.
Verscheidene informatie kan worden samengevoegd
tot een betekenisvol geheel.
Ook de taal wordt nu begrepen. Hierin zijn nog
wel grote onderlinge verschillen. De taalleeftijd hoeft niet gelijk
te lopen met de kalenderleeftijd of ontwikkelingsleeftijd.
Symbolen worden begrepen, dus ook is het
mogelijk (afhankelijk van IQ en interesses) iemand te leren lezen en
schrijven.
Bijvoorbeeld:
-met pictogrammen
kan iemand zelfstandig boodschappen
doen. Ze weet wat ze nodig heeft.
-Moeder schrijft op
dat ze naar de winkels is. De dochter leest dit en weet nu waar haar
moeder is.
-De jongen pakt de
beker. Hij wil drinken.
Spelletjes op dit niveau kunnen zijn: memory,
kwartet, bingo, categoriseren, oorzaak-gevolg, spelletjes van het
presentatieniveau. Bij dit niveau passen ook oefeningen voor o.a.
woordenschat en taalbegrip, stappenplannen, reminders en
takenborden.
Metarepresentatie
Op dit niveau kan men spelen met taal en
betekenis. De tweede betekenis wordt toegekend. Zo kan een beker een
hoedje worden (bewust), kunnen taalgrapjes en spreekwoorden begrepen
worden.
Lees verder over
Totale Communicatie